Welkom

Voorwoord

Stambomen

Biografieën
Nicolaas en Jannigje
Willem Joseph
Joannes en Anna
Henricus en Wilhelmina
Willem en Dirkje
Piet en Nel
Peet en Tine
Ad en Jo
Johannes Nicolaas Ignatius
Jeroen en Su

Kwartierstaat
Peter Michiel

Bronnen

Overig

Contact
 


Va
Petrus (Peter) Henricus Clausman
en
Christina (Tine) Aletta Maria Anthonia van Eeden
 
Peter en Tine


Jeugdjaren

Peter werd op 30 juni 1923 's avonds 7 uur geboren als eerste zoon en vijfde kind in het gezin van Petrus Henricus Clausman en Petronella Mechtilda Lutters in het pand Voorstraat 18 te Utrecht, Tine op 11 mei 1923 's morgens 2 uur 30 als tweede dochter en zevende en laatste kind in het gezin van Petrus Wilhelmus Joseph van Eeden en Johanna Catharina Blaas in het pand Oleanderstraat 2bis te Utrecht. Het gezin verhuisde kort daarna op 6 juni 1923 naar de Vleutenseweg 299 te Utrecht.
 

Peter december 1923
Peter december 1923


Peter was van september 1927 tot augustus 1929 geplaatst in een bewaarschool op de Ganzenmarkt, onderdeel van de RK meisjesschool Sint Aloysius. Hij was op deze kleuterschool mogelijk een niet al te handelbare leerling, zo werd hij samen met zijn boezemvriend Kees Alfrink wegens onhandelbaar gedrag uit de klas verwijderd en in de gymnastiekzaal gedeponeerd waar de beide jongens veel plezier hadden in het luidkeels zingen van hun hele liederenrepertoire.
Op een andere keer liepen zij samen op weg naar school door de Schoutenstraat, waarin geheel op het eind een groentenzaak was gevestigd die allerlei heerlijkheden op de stoep etaleerde. Peter en Kees stalen daar een prachtige rode vrucht en aten deze met genot op. De straf kwam al zeer snel aangezien het hier spaanse pepers bleek te betreffen waardoor de jongens aan een onlesbare dorst gingen lijden. Ze werden voortijdig naar huis gestuurd. De vrijheid werd wel verknoeid door het gevoel in hun mondjes.
Peter lokte op deze school nog een incident uit toen hij, opgestookt door zijn oudere zusjes, een van de onderwijzeressen van de meisjesschool met 'dag juffrouw stijve hork' aansprak. De baldadigheid had nooit ernstige gevolgen daar het [hoofd] van de school, zuster Adriana, een zwak voor hem had.
 
Tine bezocht van [] tot [] de bewaarschool aan de []straat. Peter bezocht van september 1929 tot augustus 1935 de lagere jongensschool Sint Gregorius van de fraters van [] aan de Kromme Nieuwegracht 34 te Utrecht. In de eerste jaren behoorde hij tot de besten van de klas, later toen vanaf de vierde klas het huiswerk een grote rol ging spelen minderde dit ras. Hij had in zijn vrije tijd te veel omhanden om veel aandacht voor het huiswerk te hebben en zijn ouders hielden te weinig toezicht. Zo werd hij in de vierde klasse van school gestuurd wegens het bij herhaling niet maken van het huiswerk. Zijn moeder gaf hem daarna thuis onderricht tot na ruim een week de onderhandelingen met de school er toe leidde dat hij er weer terecht kon.
Hij sloot het lager onderwijs af met het behalen van het toelatingsexamen voor het gymnasium, waarmede hij op 7 september 1935 toegang kreeg tot een opleiding tot priester-missionaris van de congregatie van Mill-Hill in het internaat Missiehuis Sint Bonifacius aan de Berkhouterweg 22 te Hoorn.
Tijdens de periode dat hij op de lagere school was overkwamen het een drietal ongevallen, waarvan volgorde en tijdstip niet meer zijn te achterhalen. Bij het spelen met enige vrienden in een leeg pakhuis op het Jansveld te Utrecht was hij onvoorzichtig. Op de tweede etage was in de vloer een groot vierkant gat gemaakt, vermoedelijk om op deze wijze gemakkelijk goederen te kunnen ophijsen. Tijdens het krijgertje-spelen liep Peter achteruit dit gat in, viel op de vloer van de eerste etage. Deze vloer begaf het en Peter zakte er doorheen, hij bleef nog even met zijn handen aan de vloer hangen doch was niet in staat dit vol te houden en viel toen op een stenen vloer op de begane grond. Hij kwam thuis bij, de huisdokter aan zijn bed kon gelukkig niets ernstigs vinden.
Op een andere keer nam hij thuis plaats op een hardhouten stoel waarbij een stuk van de achterleuning afbrak en in zijn bips drong. Om beurten probeerden zowel moeder als vader met stevige rukken de splinter te verwijderen. Toen dit vruchteloos bleek werd een bezoek aan de huisarts gebracht. Dit gebeurde per taxi, waarbij Peter achterin moest blijven staan aangezien het lichaamsdeel dat voor zitten onontbeerlijk is te pijnlijk was. Ook de dokter probeerde het met rukken en ook hij moest het opgeven. Daarna weer per taxi naar het Sint Anthonius Ziekenhuis waar een chirurg de kwelduivel met een lancet in korte tijd verwijderd had.
Het derde evenement vond plaats op weg naar school. De route van de Voorstraat naar de Kromme Nieuwegracht liep over het Jansdam, waar op dat moment nieuwbouw werd gerealiseerd. Terwijl Peter hier langs liep waaide de om de nieuwbouw opgetrokken schutting om en kwam hij hieronder terecht. Toen hij weer bij bewustzijn kwam was er veel volk op de been. Een politieagent nam hem op zijn schouders en droeg hem naar de school waar hij Peter afleverde bij mijnheer van Munster, de concierge. Deze waarschuwde de hoofdfrater die besliste dat onderzoek in het ziekenhuis nodig was, waarna Peter per ziekenauto naar het Sint Anthonius Ziekenhuis werd gebracht waar men constateerde dat er niets aan de hand was dan een oppervlakkig wondje als gevolg van een beschadiging aan de rug door mogelijk een uitstekende spijker in de schutting.
[Vakanties in Duiven, Motje-Marie, Plassen in de erwtensoep, verdrinken in de gierput]
 

Priesteropleiding

De kosten voor deze opleiding zullen zeker in die tijd boven de draagkracht van zijn ouders zijn uitgegaan, waarschijnlijk heeft een familielid, Piet Koelman, pastoor van de Sint Nicolaasparochie aan het Boerhaaveplein te Utrecht, financiČle steun weten te verkrijgen. Peter had een eenkennige natuur en was niet ingesteld op het omgaan met grote groepen. Eān (boezem)-vriend volstond en de rest was niet belangrijk. Deze instelling bleek in het internaat tot een volkomen isolatie te leiden. Vooral de wandelingen, welke driemaal per week enkele uren in beslag namen, waren in kwelling. De rijen van de colonne werden door de jongens in onderling overleg geformeerd waarbij de enige regel was dat men met drieČn liep. Peter liep hierbij steeds alleen, de wisselende begeleider van de groep heeft nimmer laten blijken dat hij zich bewust was van deze situatie. De leerresultaten waren niet onbevredigend waarschijnlijk omdat de huiswerkdicipline routinematig en onder toezicht geschiedde. In het tweede jaar ging Peter aan het einde van het eerste trimester met Kerstvakantie naar huis, op de adres Voorstraat 18 aangekomen bleek het pand tot zijn ontzetting leeg te staan terwijl er geen indicatie was waar zijn ouders waren gebleven. Na het wegebben van de paniek ging hij op informatie uit bij de buren, Van Soest op Voorstraat 20 wist van niets, Uijterwaal op nummer 16 meende dat de familie naar een verderopgelegen pand in de Voorstraat met een groot portiek waren verhuisd. Met deze kennis vond Peter op nummer 35bis zijn ouders terug, men had niet willen schrijven dat er een faillissement en een gedwongen verhuizing over de familie was heengegaan om Peter niet ongerust te maken en had van hem een briefje verwacht met de tijd van aankomst. In het laatste trimester van het tweede jaar gebeurde er in Hoorn iets dat de toekomst van Peter drastisch wijzigde. In die tijd kreeg Peter te maken met wat achteraf bezien de eerste sexuele gevoelens zullen zijn geweest, waarmede hij wegens volkomen onbekendheid van het verschijnsel niet overweg kon. Hij meende dat hier nu wel sprake zou zijn van de zo vaak in preken besproken maar nooit tegenover hem gedefinieerde zonde van onkuisheid. Dat betekende dan een zware zonde die het onmogelijk maakte de volgende dag te communie te gaan. Het was namelijk de gewoonte dat alle studenten elke morgen in de eigen kapel te communie gingen. Dit durfde hij āānmaal over te slaan, maar niet meer dan dat. Peter vroeg ten einde raad een spoedonderhoud met de rector aan en verzocht hem de biecht te willen afnemen. Bij het aanhoren van de bekentenis van Peter dat hij zich schuldig had gemaakt aan de zonde van onkuisheid werd niet naar een verdere detaillering van het vergrijp gevraagd maar het advies gegeven de opleiding tot priester te staken. Peter schreef dezelfde dag een brief naar huis met de mededeling dat hij de opleiding wenste af te breken, de werkelijke reden werd uiteraard als gevolg van diepe schaamte verzwegen. Peter bleef de nog resterend enkele weken van het studiejaar in Hoorn en keerde op de gewone tijd naar huis. In de vakantie kreeg hij bezoek van een pater van een andere orde. Deze had vernomen dat hij de opleiding in Hoorn had gestaakt en vroeg of dit betekende dat Peter zijn ideaal kwijt was. Peter antwoordde dat hij de opleiding graag had vervolgd. De pater vroeg hierna of hij nog wel 'rein' was. Peter moest bekennen dat dit de reden van zijn afgang was. Ook deze pater informeerde niet verder naar wat er nu eigenlijk precies gebeurd was maar nam afscheid met de woorden dat het jammer was, maar dat er kennelijk niets meer aan was te doen. De jarenlange vriendenrelatie met Kees Alfrink was door de twee jaren Hoorn onderbroken en werd nadien ook niet meer hersteld.
 

Nieuwe beroepskeuze

Na de vakantie werd Peter in oktober 1937 geplaatst in de tweede klas van de MULO van de Sint Gregoriusschool aan de Nobeldwarsstraat 9 te Utrecht. Dit betekende in feite 'blijven zitten', in Hoorn was zeer veel tijd besteed aan Latijn en Grieks, doch vakken als algebra, meetkunde en engels waren er nog niet aan de orde gekomen. Deze handicap bleek dermate groot dat aan het einde van het eerste trimester terugzetting naar klas een noodzakelijk werd geacht. Peter verliet daarop de school, achteraf is het moeilijk te determineren wat de doorslag tot deze beslissing gaf, de tegenvaller van twee hele klassen terug in vergelijking met zijn oude klasgenoten, of de economische situatie thuis, waar inkomen van kinderen van belang werd. Peter ging solliciteren, op de eerste plaats naar een baan bij een fotograaf, zijn toenmalige hartewens. Fotograaf Van der Heiden op de Voorstraat was in hem gečnteresseerd, doch verlangde betaling van een rijksdaalder per week voor het verbruiken van materialen bij de opleiding. Wanneer er sprake zou zijn van loon kon hij zelfs bij benadering niet aangeven. De tweede sollicitatie bij Accountantskantoor Willems & De Haas, gevestigd aan de Wittevrouwensingel te Utrecht, leverde een volkomen willekeurige beroepskeuze op en de eerste baan: 48 uur per week werken, geen vakantie, vrij op enkele hoogtijdagen per jaar, beloning 50 cent per week, elke maand met 25 cent per week te verhogen, zolang de werkzaamheden naar bevrediging werden vervuld. Hij begon er op 1 februari 1938 voor 26 gulden per jaar en bleef er tot 1 juni 1943 toen zijn inkomen inmiddels tot 1.200 gulden per jaar was gestegen. Hij kreeg er in die tijd een gedegen practisch gerichte opleiding in het administratieve vak, niet in het accountantsvak. Het bedrijf was in feite een administratiekantoor, verzorgde de boekhouding voor middenstanders en verleende hen fiscale bijstand. In deze jaren groeide het belang van fiscale wetten als de inkomstenbelasting, de loonbelasting, de omzetbelasting en niet te vergeten de sociale verzekeringswetten. Het zat Peter mee dat juist in die periode het fiscale stelsel volkomen vernieuwd werd waarmee hij in zijn dagelijks werk spelenderwijs ermede vertrouwd raakte. In 1941 werd het bronnenstelsel voor de inkomstenbelasting verlaten en vervangen door het reČle stelsel. Een nieuwe belasting, de loonbelasting werd ingevoerd alsmede een volledig vernieuwde omzetbelasting. Eind 1941 werd de Ziekenfondswet ingevoerd en in 1942 een nieuwe wet op de vennootschapsbelasting.
 

Opgroeiend

In 1938 overkwam Peter op straat volkomen onverwacht zijn eerste erectie. Aangezien elke sexuele kennis hem ontbrak was hij zeer verward over dit verschijnsel dat nadien op de meest ongewenste momenten optrad en naar zijn idee voor de buitenwereld volkomen zichtbaar was. Er was echter niemand met wie hij hier over kon praten. De oplossing kwam als gevolg van de verplichting tot wekelijks biechten. Je moest dan w†t als zonde opgeven, en het viel hem echt niet mee om iets redelijks te vinden. Dit resulteerde in een routinematige opsommen van jokken, ongehoorzaamheid, zusjes pesten en dergelijke futuliteiten, waarbij het er niet toe deed of hij zich hieraan werkelijk had schuldig gemaakt. Om wat afwisseling in deze confessie te brengen had hij de daad van onkuisheid in zijn rijtje opgenomen, dit gaf wat meer cachet aan de zaak en betekende overigens een hogere poenitentie van enkele weesgegroetjes. Op zeker moment informeerde de biechtvader echter naar de aard van het vergrijp waarbij Peter uiteraard met de mond vol tanden zat. De priester die nu duidelijk werd dat enige voorlichting geen kwaad kon nodigde hem 's middags uit op de pastorie. Peter ging er met de bibbers heen, want volkomen onbekend met de reden van het verzoek. De biechtvader, pastoor Metz gaf nu een college in biologie, de technische details werden minitieus uit de doeken gedaan, de erbij behorende verklaring omtrent de gevoelens en enige aanwijzing voor het beheersen daarvan werden niet gegeven. Peter kwam duizelig en doodziek uit de bespreking en wist met moeite thuis te komen. Omstreeks 1938 ontstond er vriendschap tussen Peter en Frans de Haas, een broer van zijn werkgever. Frans, een kunstschilder uit roeping, richtte in die tijd een amateur-toneelclub op onder de naam De Nieuwe Spelers. In dit clubverband ontmoetten Peter en Tine elkaar voor het eerst, er was toen echter geen sprake van enige romantische toenadering.
 

De bezetting

In de nacht van vrijdag 10 mei 1940, omstreeks vier uur werd Peter en met hem alle leden van de familie gewekt door een vreselijk kabaal, er bleken vele vliegtuigen in de lucht te zitten en voor het eerst van zijn leven maakte hij kennis met luchtafweergeschut. Het was een bijna niet te bevatten gebeurtenis, al speelde het zich voor zijn ogen af. Nederland was in oorlog, aangevallen door Duitsland. De wereld stond op z'n kop, er werd dagelang niet gewerkt. Dinsdag 14 mei was er in de namiddag een onheilspellende hemel boven Utrecht, er vielen roetdeeltjes uit de lucht. Eerst later werd bekend dat Rotterdam was gebombardeerd en dat de asregen daarvan afkomstig was. Er gingen geruchten over een komend bombardement van de stad Utrecht, Peter en Frans bespraken de mogelijkheid van een vlucht, maar ze konden geen veilige plaats om heen te gaan bedenken, buitendien was vluchten op eigen houtje iets dan hun eer te na kwam. De ochtendkrant van 14 mei (er was toen een ochtend- en een avondblad) meldde dat de koningin naar elders was vertrokken en veroorzaakte daarom een gevoel van mateloze verlatenheid. 's-Avonds rond half 7 uur werd via de radio bekend gemaakt dat de tegenstand was opgegeven, Nederland had gecapituleerd. [doortocht van het verslagen Ned leger op 13 of 14 mei, uitdelen chocoladerepen. Intocht duitse leger op 15 mei 1940. 29 juni 1940 anjerdag, velen witte anjer op. Hes-is-weg i.p.v. hessenweg.]
 

Onderduiken

In maart 1943 wordt het duidelijk dat het de Duitsers menens is met de arbeidsinzet. Eind mei 1943 is Peter aan de beurt. Hij is verplicht, als negentienjarige, zich te melden bij de arbeidsbeurs. Het is daarbij in theorie mogelijk dat hij vergunning krijgt in Nederland te blijven, afhankelijk van het feit of een verklaring van zijn werkgever wegens onmisbaarheid geaccepteerd zou worden. De normen daarvoor zijn onduidelijk en het vertrouwen erin uiteraard miniem. Aangezien in huis een joodse onderduiker aanwezig is achtte zijn vader het toch verstandig dat Peter zich wel zou aanmelden en vervolgens een poging tot verkrijgen van vrijstelling zou doen. Een tweede reden hiervoor was dat de volgende bonkaart voor de distributie van levensmiddelen alleen aan personen in zijn leeftijdsgroep zou worden afgegeven indien de distributiestamkaart een speciale stempel vertoonde. Deze stempel verkreeg men alleen bij aanmelding op het arbeidsbureau. Onderduiken betekende dus zowel een niet te begroten gevaar voor huiszoeking alsmede het gebrek aan distributiebonnen. Hoewel dit in mei 1943 nog niet als een nijpend probleem behoefde te worden gezien was het wel duidelijk dat de situatie in dat opzicht alleen maar kon verslechteren. Peter ging dus ter aanmelding naar de arbeidsbeurs op de Breedstraat, maar bleef toch angstvallig weg uit de buurt van de loketten. Hij besluit nog maar even te wachten en gaat weer naar huis waar moeder nu de beslissing neemt dat onderduiken de voorkeur verdient boven werken in Duitsland. Uiteraard waren ook een aantal vrienden van Peter in dezelfde omstandigheden. źān van het, Leo Schaatsenberg uit de Damstraat in Utrecht, dook eveneens onder. Toen echter zijn vader de daarop volgende maand ook op de distributiestamkaart van zoon Leo distributiebonnen wilde afhalen, werd hij ter plaatse gearresteerd. Op de stamkaart van Leo stond niet het stempel dat aangaf dat hij vrij was van de Arbeitseinsatz. De familie Schaatsenberg werd nu door de Duitsers voor de keuze gesteld: Ęf Leo naar het concentratiekamp Amersfoort Ęf vader Schaatsenberg. Uiteraard meldde Leo zich nu aan waarna vader weer werd vrij gelaten. Leo liep in het concentratiekamp diphterie op en werd om die reden, meer dood dan levend, naar huis gestuurd. Na genezing moest hij in de Vlijtstraat te Utrecht een opleiding volgen tot metaalbewerker. Gedurende de tijd dat hij deze cursus volgde was hij in het bezit van een Ausweisz en kon zich vrij bewegen. Jo Elias, een familielid, bezorgde Peter weer enige bewegingsvrijheid. Jo was gehuwd met Mies van Schaik, een dochter van Peter's tante Henrica Cornelia Clausman (IIIb/3), het gezin woonde aan de Nachtegaalstraat 53 te Tegelen. Jo was procuratiehouder bij Paul Teeuwen & Co in Tegelen, welke onderneming ook een vestiging in Duitsland had. Op 21 januari 1944 ontving Peter door deze tussenkomst een Ausweis. Dit papier bevatte een verklaring van het Gewestelijk Arbeidsbureau in Venlo dat hij werkzaam was in Duitsland bij de dakpannenfabriek Paul Teeuwen & Co te Kaldenkirchen. Hij woonde, althans administratief, vanaf 19 januari 1944 in Tegelen op een kamer bij de familie Smit aan de Nachtegaalstraat 55, ofschoon hij dit huis nooit van binnen gezien heeft, noch kennis heeft gemaakt met de bewoners ervan. Het bezit van dit Ausweis alleen betekende nog niet dat hij vrij kon rondlopen in Utrecht, daarvoor was ook nog een Urlaubsschein vereist. Dit laatste document behelsde een verklaring van de werkgever dat de houder ervan gedurende een bepaalde periode vakantie had en zich daarmede vrij kon bewegen. Uiteraard kon deze Urlaubsschein slechts een beperkte periode, zo'n veertien dagen, omvatten en moest na afloop telkens weer vernieuwd worden. Peter ontving nog tweemaal een Urlaubsschein via Jo Elias, maar na de spoorwegstaking van 18 september 1944 was het afgelopen en werden de papieren volstrekt waardeloos. Peter had in mei 1943 zelf zijn geboortejaar op zijn persoonsbewijs van 1923 in 1925 veranderd. Dit leverde een nogal doorzichtige vervalsing op, maar de gedachte was dat hij bij aanhouding toch de sigaar zou zijn en dat elke poging om dat te verijdelen welkom was. Nu hij echter een Ausweis had veranderd hij het jaartal weer in 1923, terwijl hij door herhaaldelijk vouwen van het document een zodanige slijtage aanbracht dat het met inkt verduidelijken van de datum naar hij dacht wel geslikt zou worden. Op 18 april 1944 volgde een test, Peter werd tijdens een wandeling met Frans de Haas naar Tuindorp in de Prof. Suringalaan aangehouden door twee agenten in Nederlands politie-uniform. De agenten vertrouwden de papieren niet en namen hem een kruisverhoor af over de reisroute en reistijden. Peter antwoordde op geluk maar zeer kordaat en slaagde er kennelijk in het wantrouwen niet te vergroten. Frans en hij konden doorlopen. Op 29 juni 1944 ging Peter met Ausweis doch zonder geldige Urlaubsschein met de Trein naar Tegelen en verkreeg daar een nieuw persoonsbewijs. Tijdens de heenreis werd de trein door de GrĀnen afgezocht, doch zij waren in Tegelen nog niet tot de coupā van Peter gevorderd; hij kon ongehinderd het station uit. De terugreis verliep zonder problemen. Op 4 september 1944 was er in de binnenstad van Utrecht een razzia, welke door leden van het Duitse leger werd uitgevoerd. Aangezien Peter op dat moment geen geldige Urlaubsschein had, bracht hij de dag door in de geheime kamer. De soldaten, die overigens weinig gemotiveerd het huis doorzochten, vonden noch hem noch Walter Ascher.
 

Na de oorlog


Peter en Tine Trouwen
Peter en Tine op hun trouwdag bij het huis op de Hugo de Vrieslaan 54 in Utrecht, mei 1946
 
Maria, Jeroen en Nelleke
De drie oudste kinderen van Peter en Tine: (v.l.n.r.)Maria, Jeroen en Nelleke rond 1952